| het plan Gezien de emotionele lading die rond het debat hing, koos Kees Kaan er voor om de uitleg van het masterplan te beginnen met een uitgebreid historisch overzicht van de oorspronkelijke planontwikkeling. Hij leek daarmee te willen zeggen dat ook het oorspronkelijke plan de uitkomst was van schuiven en schipperen, van een pragmatische overleg- en plancultuur, en dat het voorliggende masterplan niet meer was dan het opnieuw oppakken van deze pragmatische plantraditie. Hoewel het verhaal op zichzelf aardig klonk, ging Kaan daarmee geheel voorbij aan het feit dat de uitkomst van het oorspronkelijke ontwerpproces, ongezien de aard van dat proces, natuurlijk wel degelijk een compleet en hermetisch ruimtelijk en programmatisch geheel betreft. Dat geheel zou in samenhang met een veel bredere visie op de omgeving het uitgangspunt voor verdere ontwikkeling moeten zijn. Het ‘historisch’ legitimeren van het masterplan werd vanuit de zaal dan ook scherp gekritiseerd.
Het masterplan doet geen uitspraak over de winkelstraat zelf, omdat het bezit daar zo versnipperd is dat een integraal plan moeilijk tot stand kan komen. Het idee is dat, als de vernieuwing van het grootse deel van het ensemble eenmaal op weg is, de winkeleigenaren vanzelf zullen volgen. In het masterplan worden drie verticale zones gedefinieerd, een plint van min twee tot en met de eerste laag, een filtergrensvlak en daarboven het woondomein. De onderlaag wordt vrijgegeven voor winkelontwikkeling. De expeditiestraat wordt versmald zodat de winkels aan de Lijnbaan naar achteren kunnen worden uitgebreid. De zijstraten langs de hoven worden volgens de wens van gemeente en eigenaren gedeeltelijk met winkels gevuld. De hoven worden gedeeltelijk bebouwd, maar blijven in de ogen van Kaan hun ‘voortuinkwaliteit’ behouden. De daken van de beganegrondlaag krijgen een kijkgroen bekleding (ook daarvoor kon vanuit de zaal weinig enthousiasme worden gehoord). De woonzone wordt verdicht met twee rijen woontorens, een hogere rij in de (vanaf het Schouwburgplein gezien) tweede linie en een lager rijtje bovenop de winkel/woonstroken langs de Karel Doormanstraat. Ten aanzien van de plaatsing van de torens (in de tweede linie in de oksels van de woonschijven en op de straathoeken in de voorste linie) en de ritmiek tracht het plan aan te sluiten op de bestaande woonbebouwing.
de kritiek Na deze planuitleg kregen een viertal deskundigen de gelegenheid om kort op het plan te reageren. Kennelijk waren er geen uitgesproken voorstanders van het plan te vinden, want de deskundigen waren unaniem van mening dat het voorliggende plan te kort schoot, zij het om verschillende redenen. Stedenbouwkundige Anna Vos (MAB Bouwfonds) wees op het feit dat het plan in de richting van een indifferent stedelijk grid wees, terwijl het unieke karakter van Rotterdam nu juist is dat er een aantal sterke en onderling verschillende noord-zuidzones zijn (de groene singels, de autovrije Lijnbaan, de stadsboulevard Coolsingel), met bescheiden en rustige oost-westverbindingen. Schering en inslag in het Rotterdamse weefsel zijn verschillend. Het masterplan tracht deze verschillen op te heffen, terwijl het beter zou zijn om deze juist te versterken. Overigens was Anna Vos minder te spreken over het front aan de Karel Doormanstraat, terwijl Vincent van Rossem (Monumentenzorg Amsterdam) dat nu juist het mooiste stukje van het hele ensemble vond. Verder vond Van Rossem de Lijnbaan een evident monument van nationale, zelfs internationale allure, dat door de overheid beschermd zou moeten worden. Handen af van de Lijnbaan!
Maarten Schmitt (stadsstedenbouwkundige gemeente Den Haag) stelde dat de morfologie van de Lijnbaan (het buitenwijkkarakter) nu juist kenmerkend was voor Rotterdam en dus onderdeel zou moeten zijn van een visie op de binnenstad. Ook hij benadrukte dat de Rotterdamse gemeente zich veel meer en vanuit een veel sterker besef van haar publieke taken met de planontwikkeling van de zo belangrijk stuk stad zou moeten bemoeien. Eerder plaatste Philip Tidd (DEGW) vraagtekens bij het Rotterdamse automatisme om verdichting louter in termen van hoogbouw te zien, er zijn veel meer verdichtingmodellen mogelijk. Verder was hij van mening dat het masterplan veel meer aandacht zou moeten schenken aan de inrichting van de openbare ruimte. Ten aanzien van hoogbouw kwam uit de zaal nog de opmerking dat Rotterdam eens goed zou moeten onderzoeken wat de effecten van verdichting door hoogbouw op het maaiveld zijn. In het nabijgelegen Wijnhavengebied heeft de hoogbouw vooralsnog niet geleid tot een verbeterd klimaat en differentiatie op straatniveau. De premisse dat dit automatisch zou gebeuren is dus twijfelachtig.
Buiten het debat om heeft Docomomo in een persbericht gevraagd om een nauwkeuriger en meer integrale studie van de cultuurhistorische waarde. Ook de commissie voor Welstand en Monumenten Rotterdam ziet het voorliggende plan als weinig resoluut en weinig nauwkeurig. |